Het meisje dat wachtte

Er leefde eens een meisje met haar vader in een groot huis waar de muren van rijstpapier waren. De vader hield erg veel van het meisje want hij zag in haar zijn overleden vrouw en het meisje hield erg van haar vader, ook al was hij altijd in het zwart gekleed. Ze hield van het zwarte jasje dat met fijne zilveren koordjes en ronde knoopjes bijeen werd gehouden.

Ze hadden ook een mooie tuin, omgord door dikke heggen en met een oude dikke boom in het midden, waar je heerlijk tussen de wortels kon liggen. Het meisje lag daar graag, in de namiddag als het nog warm was. Ook haar moeder had daar graag gelegen en het was daarom dat haar vader het goed vond. Ze hadden het goed. Het meisje had haar moeder nooit gekend en kon weinig meer herinneren dan lange zwarte haren, die in je gezicht kriebelden als zij over je heen hing en een vaag gevoel van welbehagen. Toen ze wat ouder was, nam haar vader haar mee door de tuin en wees haar op de mooie dingen. Het was op deze manier dat ze de natuur leerde kennen, veilig in haar eigen achtertuin. Natuurlijk verliet ze ook wel eens het huis, altijd onder begeleiding van haar vader of van dames want dat was gebruikelijk in die tijd. Toch kon haar vader niet voorkomen dat op een dag de wereld binnendrong.

Het gebeurde in de vorm van een leuk gezicht met zwarte piekharen. Eén oog piepte door een gaatje in de heg. Ze praatten wat met elkaar, elke dag een beetje meer en het deed hen goed. De jongen die bij het gezicht hoorde vond uiteindelijk ook een doorgang en zo stonden ze dan voor elkaar, met niets ertussen. De jongen en het meisje vonden elkaar leuk en ze spendeerden menige dag in de tuin, waar hij haar deed lachen wanneer hij op de wortels stond en uitkeek over de zee van groen, als was hij een kapitein. En hij zwaaide met een stok naar problemen die weggingen als je er tegen schreeuwde. Later, wat ouder, lagen ze in het gras en kietelde hij haar onder de neus met een helm van gras. Avonddagen met een oranje gloed, waarin alles anders leek dan het eerst scheen te zijn. De vader had eerder door dan zij dat ze elkaar meer dan leuk vonden, en hij was dan ook niet verbaasd dat de jongen, zodra hij een respectabele leeftijd had bereikt, een bezoek bracht waarin hij om de levensdagen van de dochter vroeg. En omdat de jongen uit een goede familie kwam die handel haalde van ver, stemde hij toe. Zij stond achter de rijstpapieren deur te wachten en omhelsde hem zodra de jongen weg was, blij, of zag hij daar een traan? Nu spraken ze af in het echt, in de stad. Zij wachtte op de brug, waar ze door haar meisje werd gebracht en hij haalde haar op en nam haar mee. Dat ging zo een aantal heerlijke dagen door. Zoals die keer dat hij haar had opgehaald en toen pardoes in het water viel, zodat hij lachend naar huis snelde en zij haar mond verborg achter haar mouw. Op een dag stond hij weer voor de deur, maar deze keer met minder goed nieuws. Zijn vader had hem op reis gestuurd, om voor het familiebedrijf in een andere stad te werken, waar de handel hem naartoe dreef. Hij kon niet meer terug komen en hij kon niet blijven. Het was daarom dat zij afscheid namen. Dit maakte het meisje erg verdrietig. Ze zag hem staan in de gang en merkte op hoe verlaten hij eruit zag en hoe zijn schouders erbij hingen, afgezakt als de natte luifels van de marktkoopkraam, maar ze bewaarde haar tranen voor later in de nacht in bed. Het is hier dat zij geruisloos leerde huilen, want het was niet gewoon je emoties te laten zien. Maar een huis als dit houdt geen geheimen, en ook zonder de muren van rijstpapier had de vader genoeg gezien. Maar hij deed of hij niets hoorde, want zijn dochter was erg jong en mooi en er zouden genoeg andere jongemannen komen. Wat hij echter niet wist, was dat de twee geliefden elkaar ook ’s nachts troffen, wanneer de jongen in het donker door het gat in de heg was geglipt en kleine kiezels op de houten latten gooide. Het was in één van die nachten, de laatste voor hij vertrok, dat de jongen had beloofd; ik kom terug. Het was daarom dat zij na enige tijd, toen zij weer op haar benen kon staan, nog steeds elke morgen zich mooi maakte en vertrok naar de brug. Daar bleef zij wachten maar er kwam niemand en er gebeurde niets. Dit hield zo enige tijd aan, tot deze periode lang werd, langer nog dan de dagen waarin hij wel was gekomen. En het huis liep vol met jongemannen die interesse lieten blijken voor de dochter, maar ze ging met geen van hen mee. Ik hou van jou papa, zei ze dan, en dat is genoeg. Tot op een dag de twee elkaar weer troffen.

Het schip was aangekomen met de waar en hij kwam mee. Ze had ervan gehoord, van de boot en wachtte op de brug, keek reikhalzend uit en zag hem verschijnen tussen de menigte. Hij leek een beetje langer, een beetje breder, zijn jasje was beter gevuld maar ze herkende hem. Hij klampte haar aan en zei vanavond liefste, ik wacht op je bij de boom. Het was daarom dat zij die nacht haar dikste en warmste gewaad aandeed en naar buiten sloop. Haar vader hoorde dit wel, maar het was niet ongewoon. Sinds haar liefste weg was, bracht ze menige avonden door bij de boom om in stilte te zitten met haar aandacht naar binnen, waar krachten woonden waar ze geen woorden voor wist. En ze vlogen elkaar in de armen en ze rook zout vermengd met de bekende geur en hij sloot haar in de armen maar zij beukte hem op de borst met een kracht die hij niet verwachtte en waar ze zelf van schrok, of tenminste, geschrokken was als ze het had opgemerkt. Waarom ben je weggaan? Ik ga niet weg, liefste, ik blijf, morgen ga ik naar je vader en vraag ik om je hand, deze keer echt. Het maakt niet uit wat de rest ervan vindt. Ik heb je zo gemist. En zo gaf ze zich dan eindelijk over en ze verzonken in elkaar. Ze kropen neer bij de boom tussen de wortels waartussen ze zich geborgen voelde en ze opende zich en zo verzonk hij in haar en ze groeiden boven de takken, voorbij de hoogste bomen, tot ze de hemel raakten en elkaar en ze keken elkaar in de ogen. De volgende ochtend werd ze wakker, met zijn paarsblauwe vest over zich heen gestopt, toegedekt met de meeste zorg voor hij vertrok. Vol verwachting en verlicht ging ze terug naar huis, over het vaak belopen pad maar het was beter nu en alles zou anders worden. Die middag vertrok ze weer uit huis, voor haar wekelijkse altaarbezoek en vanaf de overkant bekeek hij stiekem haar gezicht, maar het stond niet anders dan voorheen. Hij trok zijn onderjas goed, ook deze keer zwart en begaf zich richting de voordeur.

Het gaat eindelijk weer een beetje goed. Ze is zich niet meer nachten in slaap aan het huilen om jou. Ik ga haar niet verbinden met iemand zonder eer, die zonder het weten van zijn vader mijn huis betreedt en thuis een andere vrouw heeft zitten, denk maar niet dat ik dat niet weet. Ga heen en kom nooit meer terug.

Het meisje was thuisgekomen en had haar make-up afgedaan. Ze was bezorgd want het begon nu wel erg laat te worden. Vader, is mijn liefste nog geweest? Nee, hij is niet gekomen. Er is niemand geweest. Ze stond in de deuropening voorzichtig naar binnen te kijken en moest zich vasthouden, omdat de wereld in elkaar stortte als de paal waartegen ze leunde. Scheuren trokken door de muren en braken open wat zo zorgvuldig was opgericht. En voor de eerste, tweede en derde keer negeerde ze het geluid van kleine kiezels op de houten vlonder, het zachte geroep als gezang van het grote moerasmonster dat zijn slachtoffers lokt met zovele zilveren stemmen, onschuldig en zacht als het maanlicht. Maar zij draaide zich om en volhardde erin niet te horen, de oren dichtgestopt met was en de ogen vol tranen, tot het hele bed nat was. Het vocht trok in het huis, waar het de papieren muren oploste en alleen het houten geraamte achterliet, tot ook dat verrotte en er niets meer over was dat haar beschermen kon tegen de grote leegte, zodat de hemel op haar viel en haar neerdrukte totdat ze niet meer kon bewegen. De vierde nacht kon ze haar geluiden niet binnenhouden toen de stilte haar omwond, noch de vele nachten erna en ze raakte niets aan van het eten dat haar werd gebracht. Ze keek toe hoe uit verschillende zwartgelakte bakjes de stoom opsteeg en vervloog.

Ze hield van haar vader, dat was waar. En hij hield van haar, dat zag ze. En toen er weer mannen kwamen wees ze hen allemaal af en omhelsde haar vader en zei: ik heb jou toch. Zo werd het huis langzaam leeg en de vloeren koud en het leek of de zon nooit meer doordrong tot het hart van de tuin omdat de heg die het omgaf almaar dikker werd. Zo dichtte het gat zich. Het meisje werd een vrouw, werd oud en haar vader ouder, grijs haar zorgde voor grijs haar tot het lichaam het begaf en een mager geraamte werd afgelegd met de grootse eer en veel wierook. Voor de laatste keer werden de vertrekken beroerd. Mensen kwamen, brachten hun laatste eer in de vorm van zwarte doosjes en daarna werd het huis stil. Ze kon hier niet blijven, had nooit een vak geleerd en er was geen man die zich om haar bekommerde. Liever dan bij een neef in te trekken en hen tot last te zijn, nooit op de plaats, vertrok ze naar de zwarte zusters. Hier was het fijn, of tenminste vond ze betrekkelijke rust en ze kon meekomen in het ritme dat aangenaam was en nietszeggend als de afwisseling van de seizoenen en verzachtte in de kleine taakjes die hen werden opgelegd in ruil voor rust.

Ze begon met schrijven. Elke dag schreef ze brieven, liep naar de haven en deed ze op de bus, op de envelop enkel de naam van een stad met karakters en in westers schrift. Alleen hadden sommige ervaringen geen woorden. En ze dacht terug aan de tuin en hoe fijn het was geweest als klein meisje om daar met haar vader te zijn en ze vroeg om papier en penselen, wat inkt en begon met schilderen. Landschappen, bomen, vogels. Alles eenzaam en alleen, recht, maar doortrokken van gevoel in tinten van grijs en af en toe een roze accent. Plekken waar ze nooit was geweest en nooit komen zou, alles schilderde ze steeds groter tot het diende als behang in de hal en men kwam kijken omdat ze ook wel eens zoiets ophangen wouden. Blauw, groen, paars; kleuren die spraken van liefde en rust. Zo sprak haar hart wat haar mond was ontwend en werd haar naam bekend, al is hij dat niet gebleven. Maar het werk trekt voor het oog van de mensen die ervan weten zodra zij denken aan het land. Het was zijn verjaardag, ze stuurde haar laatste brief. Ik hou van jou stond erin beschreven, want hij was haar nog steeds lief. Ik hoop dat het goed met je gaat, ook nu ik je nooit weerzie. Ze gaf het aan het kind. Ik ben nu te oud om zo ver te lopen. Omaatje, waarom stuur je toch steeds die brieven. En waarom zonder adres? Meisje, sommige dingen hebben geen woorden nodig, als de waarheid al is gekend.

Die nacht trok ze een jas over zich heen, inmiddels vaalpaars verschoten. Ze haalde het van onder uit de kast, uit een doos, waar het zorgvuldig was verpakt in vloeipapier en gouden linten. Ze verstopte haar neus erin, ademde de stof in, waarin ze zich iets verbeeldde te ruiken van zon en zee. Ze spreidde hem over zich heen, in haar bed, over de deken en sliep in. Opeens stond hij daar, scherp afgetekend als tegen de namiddagzon. Nog even krachtig en goedlachs als altijd. Hij wenkte haar. Mijn schat, ga je mee. Ik ben je nooit vergeten. Ik heb altijd op je gewacht. Hij nam haar hand en nam haar mee, zo heerlijk licht en fijn. Een opluchting om bij hem te zijn. En ze keek over haar schouder en zag zichzelf staan, of het meisje dat ze was. Zo mooi, zo schoon, in oude klederdracht, met blauwe oogleden en bloemen in het haar, een paarse waaier, voor altijd op wacht. Op de brug, niet meer in de tijd verzonken, maar opengebroken, als het water van de rivier die eronder doorgaat, opeens droogstaat en het schip niet mee kan nemen, geen enkel schip; er is geen handel, er bestaat geen wereld buiten zijn gezicht. In haar mouw verstopt ze een lach. Ik ga mee met de jongen met het zwarte haar. Ik ga mee met hem, hij die lacht. Ik ben niet langer zij die wacht. En zo stegen ze op, om nooit meer van gehoord te worden en nooit meer aan gedacht.

Zo stond onderaan de brief:

Enkel wie goed luistert en kijkt, ziet wat in het hart verschijnt.